Deze week is het thema op school ‘feesten in andere culturen’ en dat zet Lars weer flink aan het denken. Ik loop naar Lars in de speelkamer. Hij ligt plat op de grond met zijn autootjes op de speelmat te spelen. Tijdens zijn spel legt hij me uit wat hij speelt ‘Mama, hier is het Boedhisme en hier is Christendom, hier wonen papa en mama en daar is het tankstation’.
Diezelfde week tijdens het eten van de boterhammen vraagt hij aan ons. ‘Papa en mama, jullie geloven in God he?’ ‘Ja, wij geloven in God. Geloof jij daar ook in?’ ‘Nee’, zeg Lars, ‘ik geloof niet in God, want ik mag ook nooit mee naar de kerk…’
De school heeft veel tijd en aandacht aan het onderwerp besteed en op donderdagmiddag heeft hij zelfs een moskee bezocht. Deze moskee maakt veel indruk, de schoenen moesten uit, er liep een meneer met een lange jurk en er was een hele mooie vloer en op de muren waren allemaal bloemen. Iedere keer vraagt hij weer: ‘waar ben ik op donderdag ook weer geweest mama?’. Die vraag kan ik nog wel beantwoorden, maar vragen als ‘waar woont Boedha?’ en ‘hoe heet die mevrouw met zo veel armen?’, tja, dat wordt toch lastig.
Aan het einde van de week vraagt Lars heel terloops aan me waar ik heen ga als ik later dood ben. Ik antwoord: ‘als ik dood ben, word ik een sterretje boven in de hemel’, dat verhaal heb ik al vaker verteld, daar houd ik het op. Maar daar neemt Lars geen genoegen mee ‘ja, dat weet ik ook wel, maar waar ga je dan staan?’ Oh… waar mijn sterretje gaat staan…? Ik kijk omhoog en zeg tegen Lars ‘Ik denk dat ik lekker dicht bij de maan ga staan’. ‘Als ik dood ga, ga ik daar ook staan’, zegt Lars. ‘Dus dan zien we elkaar weer als we dood zijn?’, vraag ik. ‘Ja’, zegt Lars, ‘maar dan moeten we wel eerst 100 worden, want dan gaan we pas dood he mama?’